Posts tonen met het label Verhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verhaal. Alle posts tonen

woensdag 12 december 2007

Verhaal: Project Nova

Het was een regenachtige dag en de 15 jarige Sofie lag op haar bed haar huiswerk te maken. “Bah! Wiskunde.” Dacht ze bij zichzelf. Haar moeder kwam de kamer binnen en zette wat limonade en koekjes neer op de tafel. “Lukt het?” Vroeg haar moeder vriendelijk.

Wiskunde was niet Sofie’s beste vak, ze vond biologie veel leuker. Ze moest meester Knijpers ook niet, die saaie oude wiskunde leraar legde alles altijd zo langdradig uit.

Sofie sloeg haar schrift en boek dicht, ze had het wel voor gezien, ze zou er vanavond nog wel even aan verder werken. Ze keek uit haar raam en zag dat het minder hard was gaan regenen. Ze liep naar onder toe, deed haar jas aan en pakte een paraplu. “Ik ga naar Margriet toe!” Riep ze naar haar moeder.

Eenmaal buiten viel het haar op dat het best warm was voor het najaar. Sofie hield niet zo van het najaar, het was altijd zo somber. Ze pakte haar fiets en ging ze op weg naar Margriet. Zolang Sofie zich kon herinneren was Margriet al een vriendin van haar. Ze hadden altijd in dezelfde klas gezeten en deden alles samen. Ze was bijna bij Margriet aangekomen toen ze plotseling iets vreemds zag in een klein steegje. Ze stapte van haar fiets af en met zette de fiets neer tegen de muur van het steegje. Voorzichtig liep ze naar het meisje toe. Sofie wilde net vragen wat er aan de hand was toen het meisje haar handen van haar snikkende gezicht af haalde en het hoofd naar Sofie draaide. “Je moet me vinden!” hoorde Sofie in haar hoofd schreeuwen. Plotseling verdween het meisje in een wolk van bloed dat overal tegen de muren en op Sofie spetterde. Schreeuwend en van angst weg rennend verliet Sofie het steegje, maar op straat was het uitgestorven. Ze draaide zich om en keek nog een keer het steegje in en zag toen niets, geen bloed op de muren en zelfs niet op haar kleding. “Heb ik het dan allemaal verbeeld?” Dacht Sofie bij zichzelf.

Geschrokken pakte ze haar fiets en ging ze weer op weg naar Margriet. Plotseling reden er weer auto’s met hun koplampen aan en was er overal weer geluid te horen. Ze moest nog vijf minuten fietsen, dus fietste ze de straat door. Ze sloeg bij de tweede kruising rechtsaf en moest nog twee huizenblokken ver fietsen om bij Margriet te komen. Plotseling was het stil nadat ze had afgeslagen. Geen auto’s en geen mensen, alles straalde een koude leegte uit. De lichten in de huizen waren aan, maar het leek wel alsof er niemand thuis was. Het was gestopt met regenen, maar er waaide nog een koude najaarswind door de straat. Sofie draaide haar fiets om, maar merkte dat achter haar plotseling een grote muur stond waar ze niet langs kon. Ze stapte weer van haar fiets af en liep voorzichtig naar voren. Plotseling verscheen het meisje weer in de verte en liep langzaam naar voren. Vanuit de regenpoelen stegen druppels water op die in de lucht bleven hangen. Sofie keek angstig om haar heen en zag op tien meter afstand een steegje open. Ze stapte op haar fiets en fietste zo hard ze kon door het steegje, tussen de oude dozen en het andere zwerfvuil door. Ze durfde niet achter zich om te kijken, maar voelde dat ze nog steeds gevolgd werd. Na vijf minuten hard fietsen durfde ze eindelijk te stoppen.

Sofie kijkt rond om haar heen en ziet dat ze is beland bij het oude industrieterrein. Sinds de stad een nieuw terrein heeft gekozen zijn veel fabrieken hier gesloten en verhuist naar het andere terrein. Omdat de sloop altijd wat achter lag en het bestemmingsplan van de gemeente nog niet rond was stonden er veel verlaten panden. Sofie wilde hier eigen net zo snel weg en pakte haar fiets weer. Er reden nog wel wat vrachtwagens en auto’s rond ook al was het merendeel van de panden leeg. Sofie merkt plotseling dat het veel donkerder was geworden en keek op haar horloge, het was al half zes!

Snel pakte Sofie haar mobiele telefoon, maar toen ze wilde bellen merkte ze dat ze geen bereik had. Ze hield haar telefoon nog eens wat hoger in de lucht, maar bij het bereik stond nog geen enkel streepje. Sofie ging ervan uit dat het te maken hadden met de fabrieken om haar heen, allemaal die metalen buizen, trappen en kabels stoorde natuurlijk het signaal. Ze zou wel verder fietsen het terrein af en dan belde ze wel even haar ouders op om te vertellen dat ze wat later kwam eten.

Sofie was bijna van het industrieterrein af toen er plotseling bij de kruising van de linker zijweg een vrachtwagen razend snel voorbij reed met de achterzijde in brand. Sofie kon nog net op tijd stoppen. De vrachtwagen reed nog een paar tientallen meters verder voordat deze begon te zwalken, de aanhanger omver kieperde en de vrachtwagen met een harde knal tot stilstand kwam tegen een industrieel pand. Het duurde even voordat Sofie van de schrik was bijgekomen en pas toen viel het haar op dat ze niemand zag toesnellen. “Vreemd” dacht Sofie. Normaal gesproken zouden er nu overal toeschouwers komen. Ze wilde het alarmnummer bellen maar haar telefoon had nog steeds geen bereik. Voorzichtig liep ze naar de vrachtwagen toe, ze kon echter niet controleren of er nog iemand in de vrachtwagen zat. Sofie dacht na over wat ze moest gaan doen. Misschien dat in het industriecomplex nog een telefoon was die ze kon gebruiken. Ze keek rondom zich heen, maar er was niemand te zien. Toen zag ze dat de klap van de vrachtwagen een deur had ontwricht in het complex, met wat moeite wist ze de deur open te forceren. In het bedrijf was het stil, er stonden wat grote machines die leken te zijn gemaakt om conservenblikjes te vullen en dicht te maken. Iets verder door lag een oud kantoortje in de hal. Voorzichtig liep Sofie door naar het kantoor. Ze veegde wat stof weg op een raam en zag een telefoon in het kantoor staan. “Nu maar hopen dat die het doet.” Dacht Sofie. Ze liep naar de deur van het kantoor, de deur zat niet op slot maar zat vast in de deuropening. Sofie zette haar schouder tegen de deur en gaf een fikse duw tegen de deur. De deur gaf niet bij, dus Sofie probeerde het nog een keer. De deur schoot plotseling los en Sofie viel op de stoffige betonnen vloer. Even dacht ze dat ze iets zag verdwijnen vanuit een ooghoek.

Sofie stond op en klopte het stof van haar kleren af. Ze zette een klein bureaulampje aan en pakte de telefoon. “Gelukkig, een kiestoon.” Dacht Sofie bij zichzelf. Het was nog een oude telefoon met een draaiwiel voor de nummers. Snel draaide ze het alarmnummer, de telefoon ging over.

´Tuut…..tuut…tuut…- Hallo met de alarmdienst, hoe kan ik u helpen?”

Sofie wilde net gaan spreken toen plotseling de verbinding werd afgekapt en de bureaulamp uit viel. Nadat de eerste verbazing was weggetrokken bij Sofie hoorde ze een knetterend geluid door de deuropening komen. Aan het einde van een lange donkere gang, net om de hoek zag ze gele en blauwe lichtflitsen. “Geweldig, vast een stoppenkast gesprongen in dit oude complex” Dacht Sofie bij zichzelf. Even dacht ze na, misschien viel de stoppenkast nog wel te repareren, na een ander complex toe lopen kostte haar zeker tien minuten en dan moest ze nog een werkende telefoon zoeken.

Snel liep Sofie door de donkere gang. Ze ging om het hoekje en zag daar de stoppenkast. Hoewel Sofie niets van elektrische apparaten af wist, was wel duidelijk dat deze stoppenkast niet meer te repareren viel. Ze zou terug moeten naar een ander pand om een werkende telefoon te vinden. Ze was net halverwege de duistere gang toen er een enorme explosie was. De vrachtwagen explodeerde, het hele gebouw trilde van de schokgolf en de ruimte voor haar vulde zich met vuur. Sofie werd door de schokgolf naar achteren gegooid. Even lag ze versuft op de grond en toen ze haar ogen open deed zag ze alles wazig. Ze meende even een figuur e zien, maar toen ze met de ogen knipperde en scherper begon te zien was het figuur verdwenen. Voorzichtig stond ze op, de weg naar buiten was geblokkeerd. Rondom haar heen waren geen directe ramen of deuren te zien die naar buiten leidde. Ze keek rondom haar heen. De stoppenkast was gestopt met vonken, maar er was nog steeds een beetje licht. Bij beter rondkijken zaten er hoog tegen de muur achter haar een paar hele kleine stoffige raampjes met ijzerwerk ervoor. Geen uitgang dus, maar genoeg licht voor wat te kunnen zien.

Sofie keek rondom haar heen en zag twee gangen die ze kon nemen. Een leidde rechtdoor voor een meter of 40 en zo te zien lagen er wat oude magazijnen langs. Aan het einde van de gang was een deur die waarschijnlijk naar buiten leidde. De tweede gang leidde langs wat vroeger een kantine leek te zijn geweest, wat kleine kantoortjes en een bergingkast. Aan het einde van deze tweede gang was een deuropening die naar een trappenhal liep. Sofie besloot om langs door de gang langs de magazijnen te lopen.

Het hele complex was gemaakt van beton en het meeste van de opvulling was waarschijnlijk weg gehaald toen het bedrijf weg trok of failliet ging. Sofie zag nog wel wat grote lege kisten staan met het woord ‘Mantagen’ erop wat waarschijnlijk de naam van het bedrijf was. Toen Sofie bij het einde van de gang was probeerde ze de deur te openen, maar de deur bleek op slot te zijn en was te stevig voor haar om open te breken. Tegen de muur zat nog een stoffig evacuatieplan met een kaart. Op de kaart stond een nooddeur in het aangrenzende magazijn. Sofie liep het magazijn in op zoek naar de deur. Wat grote met hout dicht getimmerde ramen in het magazijn lieten wat licht door. Sofie had de nooduitgang gevonden, maar er lag een hoop van kapotte kisten en metalen stellages voor waardoor de nooduitgang niet meer kan worden gebruikt. Nu onder de enige uitgangen onder bleken te zijn geblokkeerd besloot Sofie om naar de bovenverdieping te gaan. Via de andere gang liep ze langs de lege kantine naar en kantoortjes. Net voor de trappenhal was een kleine bergingruimte waar nog van alles lag. Sofie keek erin, schoonmaakspullen, stoflappen, een wap en een zaklamp. Sofie pakte de zaklamp, veegde het stof eraf en probeerde de zaklamp aan te zetten. De zaklamp weigerde eerst, slechts een paar flikkeringen. Sofie sloeg een paar keer met de zaklamp en plotseling ging de zaklamp aan.

Voorzichtig liep Sofie met de zaklamp het trappenhuis in. Door het stofwebben heen liep Sofie de trap omhoog naar de eerste verdieping. De deur lag uit zijn scharnieren en ze duwde de deur open. Op deze bovenruimte lagen voornamelijk kleine ruimte bedoelt voor kantoortje, alle ramen waren dicht gespijkerd. Toen zag ze een vreemde gloed uit een kantoortje komen aan het einde van de gang waar de gang over liep in een open ruimte. Toen ze bij het kantoor in de buurt kwam verdween het licht plotseling. Sofie liep voorzichtig het kantoor binnen en zag niets bijzonders, een oud leeg bureau. Toen ze wat beter keek zag ze wat uit een bureaulade steken. Ze maakte de lade open en zag er een document in liggen, het was een stoffige gele map waarvan gele kaft al verbleekt was. Op de gele map stond groot ‘Vertrouwelijk’, toen Sofie hem open klapte stond er bovenaan op het eerste papier ‘Project Nova’. Ze wilde verder lezen, maar ze hoorde buiten het kantoortje plotseling het geluid van metaal op beton. Ze nam de map mee en keek om de hoek, de open ruimte in en zag een metalen emmer over de grond rollen. Waarschijnlijk een muis dacht ze. Ze keek de open ruimte eens rond, maar zag niets special. Wel zag Sofie een nooddeur, ze liep er naartoe en duwde de deur open. Op het moment dat Sofie de deur dicht gooide hoor de gegiechel, ze draaide zich om, maar de deur was alweer gesloten.

Sofie ging via de lange maten noodtrap naar beneden, en merkte plotseling dat ze nog steeds de map met vertrouwelijke informatie bij zich had. Sofie was natuurlijk wel nieuwsgierig en liep naar haar fiets toe. Sofie pakte haar fiets en wilde wegfietsen maar bleef verbouwereerd staan. De vrachtwagen die ingereden was op het gebouw was compleet verdwenen!

Er was zelfs nog geen spoortje schade te zien aan het gebouw zelf en nergens een tekenen dat er ooit een vrachtwagen was geweest. Sofie wist niet wat er allemaal aan de hand was, maar het document bewees dat ze niet gek was. Ze had het gevoel dat ze op de vooravond was van een hoop bijzondere gebeurtenissen.

dinsdag 2 oktober 2007

Verhaal: Nachtelijke overdenkingen

Het is in het holst van de nacht, iedereen slaapt en in de huizen is het licht uit. Alleen achter een enkel raam brand een kaars. De stilte word doorbroken door het geluid van een schrijvende vulpen. In de duisternis van de nacht overweegt, schrijft en streept een oude man zijn woorden. De inkt wordt niet verspild, geen woord wordt nodeloos geschreven of doorgestreept, geen vel papier word zonder reden gevuld.

Peinzend overweegt de man wat hij verder nog zal schrijven. Hij staart voor zich uit en ziet de sneeuw buiten dwarrelen. De sneeuw valt geruisloos, slechts verlicht door de straatlampen. Er rijden geen auto's, er lopen geen mensen. De wereld slaapt en zou er geen sneeuw vallen zou zij stil lijken te staan.

De man denkt terug aan zijn jeugd, alle goede en slechte momenten. Al dat wat hij graag deed en de zaken waarvan hij spijt heeft ze niet te hebben gedaan. Hij denkt aan de eerste ontmoeting van zijn vrouw, de aankoop van hun eerste huis en de geboorte van hun kinderen. Hij denkt aan hoe zijn kinderen opgroeide en hoe hij stopte met werken. Even is hij bang voor de toekomst en twijfelt hij of hij nog wel dromen durft op te schrijven. Maar dan breekt de nacht, de wereld wordt wakker, de eerste stralen zon laten hun rode gloed zien over de daken. De man legt zijn pen neer, staat op en rekt zich uit. Deze nacht heeft hij niet veel over de toekomst geschreven, maar vandaag wordt er geleefd. Er is altijd een volgende nacht om over de toekomst te schrijven bij het nachtlicht.

Dit verhaal vind zijn inspratie in een lan-party hoe afgezaagd dit ook klinkt. Het was in het holst van de nacht en alles was bedekt onder sneeuw, geen auto te horen. Een herinnering die me tot de dag van vandaag nogsteeds levendig bij blijft.

Verhaal: Martin Verbeek - Afzender onbekend (Hoofdstuk 1)

Hoofdstuk 1: De Brief

12 Juni 2001, de dag die mijn leven veranderde. Ik herinner het mij nog als was het gisteren. Ik werd wakker, nog half slapend greep ik instinctief naar de afstandsbediening en zette kanaal 2 op de TV.
“Vannacht heeft de politie een inval gedaan bij het postorderbedrijf ‘Melkin en zoon’. Tijdens de inval werd directeur A. Melkin gearresteerd. Tevens werd een grote hoeveelheid cocaine in beslag genomen in een van de warenhuizen.” Zo galmde het door de boxen van mijn televisie. Dat was 6 jaar geleden. Plotseling zat ik zonder baan en zonder inkomen. Een jaar lang solliciteerde ik tevergeefs, nauwelijks een opleiding om van te spreken, te oud voor de doorsnee banen. Ergens tijdens het einde van het eerste jaar van werkloosheid verliet mijn vriendin me voor een ander. Ik kon verkassen naar een klein appartement ergens in een vervallen flat van de jaren zeventig. Mijn vrije tijd vulde ik op met steeds minder sollicitaties, drank, roken en kroegen bezoeken.

Nog in een roes van de kroeg wandel ik enigszins gedesoriënteerd naar de deur van mijn appartement. Nat van de regen duw ik met enige moeite de sleutel in het slot en weet ik de grauwe deur van mijn appartement open te krijgen. Moeizaam loop ik door het kleine halletje van mijn appartement en hang ik mijn grijze overjas aan een haakje aan de muur. Ik loop naar de koelkast en pak een biertje. De post van vanmorgen ligt nog ongeopend op de kamertafel. Ik pak de brieven en ga ze voorzichtig door. “rekening, rekening, aanmaning, u heeft 1 miljoen gewonnen!”. Weer geen echt belangrijk nieuws. Ik besluit de brieven maar op mijn bureau te gooien. Met een te harde worp vliegen de brieven over mijn oude bureau. Aangezien ik toch al genoeg moeite heb met mijn magere uitkering besluit ik de brieven maar meteen te pakken van achter mijn bureau. Het laatste wat ik kan gebruiken zijn nog meer aanmaningen. Ik schuif het bureau naar achteren toe en strek mijn arm uit naar de brieven die zich bevinden in de stofnesten van ettelijke jaren. Tot mijn verbazing liggen er niet vier, maar vijf brieven. Gefocust op de vijfde brief leg ik de overige vier brieven op mijn bureau. Ik plof neer op de bank en bekijk de envelop eens aandachtig. Het wit van de envelop is door de jaren heen beige geworden, het papier ruwer. Op de envelop staat geen afzender en een bijna onleesbaar adres.
In mijn verre geheugen begint mij te dagen dat ik op de laatste dag, toen het bedrijf gesloten werd mijn spullen mee had genomen. Op mijn afdeling maakten we er altijd een hobby van om niet verstuurde brieven alsnog proberen te verzenden of terug te brengen naar de verzenders. Deze envelop behoorde daar ook bij en zat waarschijnlijk in mijn oude werktas destijds.
Voorzichtig open ik de envelop en haal ik de brief eruit. Het is een simpele witte brief beschreven met zwarte inkt in een mooi handschrift. Zonder echte aanleiding besluit ik de brief te lezen;

Beste Annemarie,

Hoe gaat het met je?
Met ons gaat het goed. We hebben een geweldige tijd hier aan de zee. Kleine John heeft net leren lopen en staat constant met open mond te kijken naar de zee.
Het weer is schitterend, alleen maar zon en een licht zeebriesje. Over zes dagen komen we weer naar huis. Mark en ik nemen de kinderen nog mee naar Middelburg.

Als we terug komen van de vakantie zullen we je alle foto’s laten zien. Dat zal vast je vast en zeker helpen op te beuren na al die ellende.

Met vriendelijke Groet,

Marieke en Mark Koninkx en de kinderen.

“Leuke brief”. Ik loop naar het raam van mijn appartement op de zevende verdieping. Het is zeven uur ’s avonds en de lucht was gevuld met donkere wolken, het regende zacht. Ik besluit de brief op tafel te leggen en even naar de locale snackbar te lopen.

Met mijn nog steeds natte overjas loop ik door de straat naar de snackbar. Het is minder hard gaan regenen, de straten zijn wat rustiger geworden. Het gele bord van de snackbar steekt in schril contrast af met de duistere sfeer die deze herfstavond met zich mee droeg. Zoals te verwachten viel is het niet druk in de snackbar. “Jopie, doe mij een bakkie friet met mayo en een frikadel! Doe er ook maar een biertje bij!”
Rustig zet ik me neer aan een wandtafel. “Zes jaar geleden alweer.” denk ik. De tijd is snel gegaan. Ik werkte iedere dag als koerier bij Melkin en zoon. Het leven was goed. Mijn vriendin Marloes en ik hadden net een nieuw huis gekocht en we waren van plan te gaan trouwen. Op het werk kon ik het altijd goed vinden met mijn collega’s. Nu was iedereen zijn eigen weg gegaan en de meeste collega’s wilden mij niet meer kennen. “Die schooier” denk ik over mijzelf. Na al die jaren laat het me allemaal nog niet los, de brief die ik had gevonden bewees dat wel.

- “Martin! Martin jongen, je bent nogal afwezig vandaag. Zit je wat dwars soms?”
De ruwe stem van Jopie rukte me uit mijn sombere gedachtegang. Ik kende Jopie al een lange tijd en ik herinnerde me hem altijd als een ietwat gezette frietboer. Altijd direct maar met het beste voor, maar zijn friet zou soms wat beter kunnen.

“Ach Jopie, je kent me toch.”
- “Weer aan het denken aan dat oude leventje van je? Dat krijg je echt niet terug op die manier, Martin.”
Ik slaak een lichte zucht;
“Je zult wel gelijk hebben Jopie. Ik vond vandaag een oude brief van mijn werk bij Melkin. Eentje zonder duidelijke afzender en een onleesbare bestemming.”
- “Weet je wat jij zou moeten doen, je zou er eens op uit moeten, Martin! Die brief is perfect daarvoor!”
“Hoe bedoel je Jopie?”
- “Geef nou toe Martin, het is niet alsof je wat te doen hebt. Je zit al jaren in hetzelfde ritme. Het wordt tijd dat jij er eens opuit gaat! Die brief kan je daarbij helpen. De mensen waar de brief voor bestemd is willen hem vast ontvangen.”

Even verwerp ik het idee. Op zoek gaan naar wildvreemden voor zomaar een brief. Maar Jopie heeft wel gelijk, ik volgde al jaren lang hetzelfde ritme volgen. Door de stad slenteren, de kroeg in, sollicitatiebrieven schrijven, nog een keer de kroeg in, avondeten bij de chinees of snackbar, een filmpje kijken en dan weer hetzelfde doen de dag erop.

“Je hebt gelijk Jopie!” Ik geef hem tien euro, sta op en loop de deur uit.
“Laat het wisselgeld maar zitten!” Schreeuw ik Jopie na.

Het is gestopt met regenen en de regenwolken zijn aan het breken. De donkerblauwe nazomer avondlucht valt te zien achter de wolken. Ik loop terug naar mijn flat en besluit de trap te nemen in plaats van de lift. Eenmaal boven gekomen ben ik echter moe en mijn knieën voelen zeer aan, misschien ben ik toch wat te enthousiast. Moeizaam plof ik met de brief in mijn handen op de bank. Ik haat de stilte in mijn kamer dus zet ik de televisie aan op een willekeurige zender.
Ik kijk naar de brief; “Niet veel om mee te werken” Maar er waren wel twee volledige namen; Marieke en Mark Koninkx. Dat moet genoeg zijn om mee te werken. Maar voor vanavond was het wel welletjes geweest. Ik besluit de rest van de avond te kijken naar de zoveelste herhaling van Die Hard 2.

Wederom een verhaal van de dag en deze keer een stuk langer verhaal. Het is het eerste hoofdstuk van een mysterie. Het bevat nog wat kleine schoonheidsfoutjes in het plot maar is naar mijn mening aardig gelukt. Hoofdstuk 2 zit al een tijdje in de oven omdat ik het hoofdstuk niet doodsaai wil maken voor de lezer.

Verhaal: Magie - Aarde

Het is al wat later in de ochtend als een al wat oudere en gezette man bij het uiteinde van een rotsachtige vallei komt. Hij loopt langzaam naar de wand toe op zijn oude sandalen en in zijn versleten kleding. Zijn groene broek en vest steken af bij zijn huid die zo bruin is als de aarde zelf. Rondom hem is het uiteinde van de vallei als een tientallen meters hoge stenen muur die minstens een paar honderd meter dik is.
Voorzichtig strijkt de man met zijn dikke vingers over de rotswand op zoek naar een zwak punt. Zachtjes en onverstaanbaar mompelt hij tegen zichzelf. Dan gaat hij snel terug met zijn vingers over een bepaalde plek op de rotswand en wrijft er voorzichtig een paar keer overheen. Instemmend knikt hij en legt zijn beide handen vlak op de plek. Hij verheft zijn stem en buldert de woorden “Silex Quasso”.

Terwijl de woorden nog echoën tussen de rotsen begint de grond hevig te beven. Het oorverdovende geknars van rotsen vervult de omgeving en de rotswand begint langzaam te splijten. Eerst een paar kleine scheuren op de plek waarde man zijn handen had gelegd, en dan steeds meer. Ze verspreiden zijn naar de boven en onderkant van de rotswand en drijven uiteindelijk de hele rotswand uit elkaar. Na een paar minuten houd het oorverdovende geluid op en als het stof en de rook zijn opgetrokken is er een passage zichtbaar geworden tussen de hoge rotswanden. Aan het einde van deze nieuwe weg schijnt fel het zonlicht. De man kijkt tevreden, maar net als hij wilt beginnen te lopen hoort hij in de verte het geluid van rotsen die tegen elkaar wrijven. Een enorm silhouet blokkeert opeens het zonlicht. Dan begint de silhouet te lopen, iedere stap gaat gepaard met een enorme dreun en het losraken van zand en steentjes in de rotswanden. Stap na stap komt het gestalte dichterbij en als hij dichtbij genoeg is kan de man herkennen wat het is, een rotsgolem.
Het stenen monster is kolossaal en in zijn grijze rotsen staan eeuwen oude runen gegraveerd die rood opgloeien. De golem pakt een zwaar rotsblok op en tilt hem met twee handen boven zijn hoofd. Met schijnbaar het grootste gemak gooit hij het rotsblok naar de man toe die nog net met al zijn kracht het pad kan van de steen kan veranderen. Uit evenwicht gebracht valt de man op de grond, maar tijd om te rusten heeft hij niet. Opnieuw pakt de golem een rotsblok op, maar net als hij het boven zijn hoofd heeft legt de man zijn handen vlak op de grond en mompelt wat woorden. Alles begint te beven, de golem raakt uit evenwicht en het rotsblok valt bovenop hem. Dan storten de rotswanden in en bedelven de golem onder tientallen meters gesteente.

Het wordt stil in de vallei en als het stof is opgetrokken slaakt de man een diepe zucht en schud zijn hoofd langzaam heen en weer. Achteraf had hij beter een andere route kunnen nemen, want het pad voor hem is weer geblokkeerd geraakt met tientallen meters rotsen.

Vervolg op Lucht, maar helaas mist het aan impact imo.

Verhaal: Magie - Lucht

Hoog op een ruwe berg welke in eeuwige sneeuw is gehuld staat een oude man. Zijn gezicht voorzien van grauwe haren en een lange warrige baard. Zijn rimpelige huid hard en stijf van de kou, zijn linnen mantel in gevecht met de straffe wind.

Een plotselinge windvlaag tart de oude man en even lijkt hij te moeten wijken voor de wind. Maar dan slaat hij hard met de voet van zijn kronkelende houten staf. Standvastig mompelt hij "Niet vandaag god van de wind!".De man houdt zijn staf omhoog, zijn grauw blauwe ogen fonkelen en hij roept uit "Ventus quasso". De wind begint fel te tollen en rukt alles rondom zich heen. De man die zich ontpopt als een magiër van de lucht weet zich met moeite overeind te houden. De bomen in de vallei diep onder hem beginnen wild te zwiepen door de kracht van de wind, zelfs de grauwe wolken tollen wild door elkaar. Lawines van sneeuw en rotsen worden los gewrikt door de chaotische storm en donderen hard naar beneden vergezeld door het geluid van bomen die breken als twijgjes.

De magiër herstelt zich en kalmeert de wind. Even verzinkt hij in herinneringen aan zijn eerste dagen als jonge leerling onder les van een andere oude magiër. Hij herinnert zich de wijze woorden van zijn meester nog goed;"Probeer niet de wind te dwingen in zijn weg. Probeer de wind te begrijpen en te verleiden jouw pad te kiezen."
De oude magiër begint te glimlachen en uiteindelijk buldert zijn lach over de gehele vallei. Versteld en geamuseerd van zijn beginnersfout mompelt hij tegen zichzelf dat hij wel oud moet zijn als hij zoiets vergeet.

Dan concentreert hij zich nogmaals op de wind. Hij voelt de wind en zijn gaan. Hij voelt hoe de wind tegen de bergen en tegen de bomen botst. Hoe de wind als het ware door de valleien wordt geperst en omhoog wordt gedrukt. De wind heeft geen keus. De wind wil vrij zijn maar wordt gedwongen een vast pad te kiezen. Dan richt de magiër zich naar de grote hoogte ver boven de bergtoppen. Met grote kracht waait daar de wind, zachtjes en voorzichtig leid hij de wind van de vallei naar de grote hoogte. Hoger en hoger, door de wolken heen die mee worden gevoerd in de stroming. Helemaal tot bij de hoogste luchtstromen.
De wolken zijn verdwenen en de zon schijnt in zijn volle glorie op de besneeuwde bergtoppen. De oude man haalt even adem en gaat met zijn stok rustig op een nabije rots zitten. Hij kijkt om zich heen naar de bergtoppen die fonkelen door de sneeuw, slaakt een diepe zucht en zegt;"Zo, en nu moet ik nog de berg afdalen."

Dit verhaal was verhaal van de dag op de site en werd aardig positief ontvangen. De laatste zin is overigens een beetje opzettelijk afbraak aan het verhaal. Ik ben goed in fantasy schrijven, maar eigenlijk spreekt het me niet aan omdat ik altijd het gevoel heb geschreven zaken te herschrijven in eigen woorden.

Verhaal: Handel in moord (Intro)

Het is 1641, het licht van de volle maan geeft een blauwe gloed aan het Edo kasteel van Kyoto. In de schaduw van een grote vestigingsmuur van het kasteel sluipt een duister figuur rond. Voorzichtig kijkt hij rondom zich heen en luistert of er niemand in de buurt is. Hij pakt een stuk touw met een kleine enterhaak eraan uit een zwarte zak. Even kijkt hij omhoog naar het raam boven hem, dan kijkt hij nog snel een laatste keer rondom zich heen en begint het touw met de enterhaak rond te draaien. Een moment later zit de haak stevig vast aan de rand van het raam en klimt het figuur omhoog.
Eenmaal boven aangekomen trekt hij snel de enterhaak met touw op en stopt hem terug in zijn zak. Het figuur kijkt om zich heen en slaakt dan een lichte zucht van opluchting. Dan trekt het figuur zijn masker af.. Een smal gezicht voorzien van duistere ogen en zwarte haren wordt zichtbaar. De man loopt naar een schuifdeur, hij maakt de deur open een reeks kleren worden zichtbaar. Helemaal achterdoor in de kast ligt een uniform van de bewakers. De man pakt het uniform en kleed zich snel om. Zijn eigen kleren stopt hij in de zwarte zak en stopt deze weg in de kast. Dan maakt hij de kamerdeur open en kijkt voorzichtig naar links en naar rechts; Niemand te zien. Hij herinnert zich de aanwijzingen die hij heeft gekregen; De gang door, rechtsaf, twee trappen op en dan rechtdoor blijven lopen en de op een na laatste deur nemen.

Rustig loop de man door de gang, als hij bij de trappen aan komt wacht zijn eerste beproeving, een bewaker. Rustig en met een simpele begroeting loopt gaat hij de trap op, geen problemen. Eenmaal aangekomen op de juiste verdieping loopt hij de gang door. Als hij bij de op een na laatste deur staat kijkt hij om zich heen. Even wacht hij tot een bediende de hoek om gaat en uit beeld verdwijnt, vervolgens luistert hij voorzichtig aan de deur. Geen geluid te horen. Hij maakt de deur voorzichtig open en sluipt de kamer in. In het midden van de kamer ligt een westers uitziende man te slapen op een futon, een traditioneel Japans bed. De indringer loopt er op af en pakt een Wakazashi. In een handomdraai legt hij zijn linker hand op de mond van de man en snijd zijn keel door. De ogen van de man staan even van paniek vol open en het lichaam spartelt wat, maar uiteindelijk stoppen alle tekens van leven. De indringer maakt zijn Wakazashi schoon en luistert voordat hij de deur open nog even of er iemand in de gang is. Vervolgens begeeft hij zich rustig terug naar de kamer waar hij het Edo Kasteel was binnen gekomen. Eenmaal terug in zijn oude uniform begeeft hij zich naar hetzelfde raam, kijkt voorzichtig rond en daalt af aan een touw. Vervolgens sluipt hij van het terrein af. Zijn werk zit erop en zijn opdrachtgevers zullen tevreden zijn.

Zoals wel vaker bij mij gebeurt heb ik een intro geschreven voor een verhaal en dit vervolgens erbij gelaten. In dit geval zat research me dwars en door mijn drukke leven als loonslaaf ( ;) ) was het niet practisch om verder onderzoek te doen hiernaar.

Verhaal: Nachtlicht

De wereld beweegt zich om me heen, maar zij raakt mij niet. Verzonken in mijzelf reflecteer ik wat ik ben. Een virtuoze leegte in harmonie met zijn versnipperde ziel. Doelloos streef ik in het leven naar niets, verlang niets buiten het einde ervan maar leef toch. Ik besta immers.
Vestig mij in regelmatig terugkerende zaken zonder geluk of zaligheid, maar ben toch ook niet ongelukkig en toch...
Ik vind mijn geluk in mijn troosteloze vlakte, laat mij verdrietig, dat wil ik zijn. Want diep in mij ben ik gelukkig in mijn verdriet. Verknipt gezegend vechtend altijd tegen mijzelf. Dat is niet erg, dat wil ik juist. Ik vecht tegen mijzelf, maar leef toch ook met mijzelf, accepteer mijzelf en omhels mijzelf. Ik heb geen vrienden, maar ook geen vijanden, mensen zijn slechts in mijn leven vaak bij mij, ik praat met hen, lach met hen en huil met hen. Leg mijn ziel bloot op tafel als ze erom vragen, maar verberg mijn ziel toch ook weer. In duisternis gehuld voor mensen wie ik al jaren ken, maar toch ook bekend. Stil, maar luidruchtig. Gevat, maar toch nooit zinnig.
Worstelend met mijn ethische gelijk en mijn arrogante ongelijk loop ik over de stoeprand van het leven, noch op de stoep, noch op de weg. Langzaam, maar met haast ga ik naar mijn doel. Dat niets waarvan iedereen zegt te weten wat het is. Het maakt me niets uit, ik weet niet wat het is, goed of slecht, absoluut bestaan, of absoluut einde. Voor mij is het mijn reisdoel. De reis, belangrijker vaak als het doel, is voor mij niet belangrijk. Als een sleurende eindeloosheid waarin mijn doel steeds verder weg lijkt te gaan trek ik mijn levendig karkas voort. Altijd gekweld door de duur, de sleur van het leven die ik zo niet wens te veranderen, en de veranderingen die zich op mij dringen. De eisen die anderen stellen aan hun zelf en aan anderen, zij boeien mij niet, ik stel geen eisen buiten mijn rust. Rust boven alles is voor mij belangrijk, want ik ben altijd bezig met denken en fabriceer gedachten, wonderschoon en nutteloos. Voortgaand, maar zonder de aanleiding. Als een machine die draait omdat hij nu eenmaal draaien moet. Zijn tandwielen knarsend en pijnigend voor een taak die zijn zin heeft verloren. Vastgeroest in zijn eeuwige vaste ritme en het maken van zaken welke hun nut hebben verloren reeds voor zij werden gemaakt. Naarmate de tijd voort gaat breekt de machine heel langzaam af, tandwieltjes verliezen tandjes en zand komt in het mechanisme, maar de machine moet draaien omdat zij niet beter weet. Wellicht maakt zij geen producten meer, zij weet het niet, interesseert zich daar ook niet voor. Zo sleur ik mij door het leven, levenloos en zonder doel, maar toch gelukkig en doelgericht bezig. De zon, de regen en de wind, zij alleen kijken op mij neer en dagen mij uit. Ik trotseer hen, maar doe er toch ook geen moeite voor. De wind zal toch wel waaien, de zon zal toch wel schijnen en de regen zal toch wel vallen, zo ook zal ik toch wel naar mijn doel blijven lopen.
Het leven is niet goed en niet slecht. Maar ik ervaar haar het liefst als slecht, dan voel ik me goed. Als een zwarte roos die in een maanloze nacht haar knop opent en een fel lichtend hart laat schijnen voor de eenzaamheid van de duisternis. Als baken voor het bestaan van de enkeling, als nachtlicht voor iedereen.

Stukje geschreven door mij als opening van mijn account bij de verhalensite. Oud materiaal overigens.